< Terug

Het Codicil

HET CODICIL
De laatste uren van mijn vader

Loop een uurtje hard voor het avondeten. Het is tegen zessen. Op de terugweg komt mijn geliefde mij tegemoet met de auto. Heel vreemd, want het regent niet. ‘Kom gauw mee, je vader is niet goed geworden, ik weet niet wat ik moet doen.’

Thuis tref ik mijn vader onderuitgezakt aan in zijn stoel. Hij heeft pijn, heel veel pijn, zegt hij. In zijn hals, in zijn buik. Het schiet van links naar rechts en terug. ‘En in mijn rug.’ Ik kan zijn pols nog voelen en hij ademt redelijk. Maar hij ziet er amechtig en hulpeloos uit. Niks voor hem. En lijkwit.

Hij kan niet meer staan, maar nog wel in mijn handen knijpen.

Ik bel 112. De huisartsenhulppost. Een medewerker stelt mij een eindeloos lijkende reeks vragen. Je kunt eigenlijk wel drie keer dood zijn eer je die allemaal hebt beantwoord. ‘Ik moet even overleggen.’ Er komt een kleine ambulance. Gelukkig is die er in een mum van tijd.

Mijn vader is inmiddels wat monterder geworden en beantwoordt braaf alle vragen. Hij begint zelfs een uitgebreid relaas over zijn urologische geschiedenis. Ik raak geërgerd want dat lijkt me nu totaal niet relevant. ‘Pap, dit zijn wel ambulancemensen!’ Ik zie dat de bloeddrukmeter 80 over 40 aanwijst. Dat is niet goed, maar de alleraardigste ambulanceman wuift het weg ‘want hij heeft nog een stevige pols’. ‘Het apparaat zal wel niet kloppen.’ Merkwaardig. Mijn vader begint grapjes te maken. Dat heb ik nu even liever niet. Straks nemen ze hem niet mee! Het ecg laat niks verdachts zien. En hij kan met zijn armen zwaaien.

Mijn vader heeft tien jaar geleden een herseninfarct gehad. Daarna is het heel redelijk met hem gegaan. Hij vindt het leven geen feest meer zo in zijn eentje, na de dood van mijn moeder een jaar geleden, maar ‘je moet toch ademen’.

Ik opper dat dit zo toch echt niet kan: ‘Oké, laat hem maar eens staan.’ Dat lukt van geen kanten. Dan toch maar liggend per ambulance naar het ziekenhuis. Ik ben opgelucht. We rijden erachteraan.

Aan de apparatuur. Een jonge arts kijkt hem na en verordonneert een scan. Mijn vader blijft erg lang weg. Als hij weer terug is: ‘Kan ik vanavond nog naar huis?’ ‘Dat denk ik niet, pap.’

Daar komt de dienstdoende neuroloog. Met het verlossende woord? De uitslag: de hoofdslagader. Voor twee derde gescheurd. ‘Ik kan helaas niets voor u doen. Ik heb uw zaak overgedragen aan de cardioloog.’

De ernst dringt niet tot mijn vader door. Even later staat de cardioloog al aan zijn bed. Een resolute jonge man. Hij vuurt eerst een paar flutvragen op hem af. Ik val bijna van mijn stoel. Hij is toch wel goed geïnformeerd?

Maar ik heb het mis. Daar komt het: ‘Het is heel ernstig.’ Hij legt uit dat het gescheurde vat niet kan worden geopereerd. Daar begint de cardiochirurg niet aan op zijn leeftijd.

Mijn vader pruttelt ‘maar dan kan ik het sporten deze week zeker wel vergeten?’ ‘U mag zich voorlopig helemáál niet inspannen.’ Ik praat apart met de cardioloog en begrijp dat dit een levensbedreigende situatie is. Enige stabilisering is mogelijk door de tensie laag te houden en nog zo wat maatregelen. Ik besluit voor mezelf om in termen van dagen te denken.

We gaan bedrukt naar huis om zijn spulletjes op te halen. Ik ga alleen terug. Hij ligt er maar zielig bij. Hij ziet af maar houdt zich kranig. ‘Kan hij niet iets tegen de pijn krijgen?’ Dat moet overlegd. Tramadol. Maar dat wordt lastig want hij heeft al enkele keren stevig overgegeven. Ik: ‘Dan geef je hem toch een zetpil?’ Ook dat moet worden overlegd.

Om half 12 zegt hij: ‘Zou je niet eens naar huis gaan om te slapen?’
‘Vind je het dan niet prettig dat ik er ben?’
‘Jawel. Maar morgen is weer een dag.’
‘Denk je aan de vuilnisbakken, sluit je goed af? En de kippen morgenochtend? En de paardjes?’

En daar ga ik.

Iets na enen. Ik lig net in bed. De telefoon. Ik kleed me schielijk weer aan en even later rijd ik voor de derde én laatste keer die nacht naar het ziekenhuis…

EPILOOG

Ik zit naast mijn dode vader te wachten op de aangekondigde cardioloog van dienst. Ze had niet verwacht dat het zo snel zou gaan.

‘Maar… ik heb nog een vraag voor ú: uw vader had een donorcodicil.’ Blijkt. Al heel lang. Avant la lettre. Ik snap het niet meteen. Wie heeft er in vredesnaam iets aan een orgaan van een niet erg gezonde 85-jarige? Het betreft het hoornvlies!

Natuurlijk ga ik akkoord.

Ik buig voor mijn vader. Voor de laatste keer.

JIM FAAS
Jim Faas is verzekeringsarts en jurist. Hij is lid van de commissies Ethiek en Mediprudentie van de NVVG en blogt op persoonlijke titel.